De winter van 1955/1956

Winter 1955-1956 deel 1

Scheepvaart niet mogelijk.

De aanloop naar de ijzingwekkende februari maand in 1956 is eigenlijk helemaal niet zo spectaculair. De herfst van 1955 vertoont nauwelijks winterkou en op 6 en 7 november stijgt het kwik in Oost- en Zuid Nederland zelfs tot 20°C, een regelrecht record. De zachte, sombere decembermaand verrast op de 12e en de 13e even met vorst, maar snel keert het onbestendige, natte weer terug.

Vanaf 7 tot 10 januari wordt het weer wat kouder met regen en sneeuw en ook op de dagen hierna toont sneeuw aan dat de winter dichterbij komt. In het Noordzeegebied heerst op 19 en 20 januari zwaar stormweer en op de 23e en 26e valt opnieuw sneeuw. De maand januari was bijzonder nat verlopen. Gemiddeld over het land was er 107 mm gevallen, ongeveer het dubbele van normaal. Maar eind januari veranderde dat beeld totaal. Het Zuid-Europese hogedrukgebied, dat er telkens voor had gezorgd dat de depressies in optocht langs trokken, verdween. En boven het noorden van Scandinavië kwam een imposante luchtdrukreus tot ontwikkeling. Aan de oostflank hiervan stroomden grote hoeveelheden diepvrieskou uit over Rusland en Oost-Europa. In Polen zakten de temperaturen lokaal tot -30°C. Aanvankelijk kon die strenge kou ons nog niet bereiken, omdat depressies nog over ons land trokken. Maar toe die lagedrukgebieden op 30 januari een zuidelijker koers gingen volgen, was de beer los. Op de 30e was, na een paar kwakkeldagen, de vorst ingevallen en in de avond ging het almaar harder waaien uit het oosten. Op de 30e januari vriest het in het noorden 4°C, maar in het zuiden was het toen nog +8°C. Dan stuwt de stijgende luchtdruk boven Scandinavië de koude lucht verder naar het westen en zuiden. Met al die opgepotte kou in Oost-Europa zal duidelijk zijn wat dat ging betekenen; almaar toenemende vorst. In de vroege ochtend van de 31e januari stond er een harde tot stormachtige oostenwind en dat bij temperaturen tussen de -7 en -11°C. Buitengaats stond er zelfs een oosterstorm. Waarlijk de kou ging door merg en been.

Postbezorging met slee.

Prikslee wedstrijden op het IJsselmeer

Ook de Waal was dichtgevroren.

Veel ijspret.

Ook de dieren hadden het moeilijk

Winter van 1956

Winter 1955-1956 deel 2

Een sneeuwrijke winter.

 

In deel 1 heb ik beschreven hoe deze winter begon eind januari en begin februari. Daarna, van 3 tot 9 februari volgde een week waarin het slechts licht tot matig vroor en overdag kwam het kwik regelmatig iets boven 0°C.

Maar vanaf 10 februari zette een temperatuurdaling in die zou uitmonden in een complete diepvrieskou, en dat weken achtereen. Eerst viel op de 13e nog een flink pak verse sneeuw, tot 25 cm in de Noordoostpolder en in Friesland. En ook de dagen erna bleef af en toe sneeuw vallen, maar vanaf 16 februari kreeg de zon veel meer ruimte. De nachtelijke vorst die vanaf de 13e op veel plaatsen streng was, nam door het helderen weer alleen nog maar toe. En natuurlijk droeg ook het gesloten sneeuwdek z’n steentje. 

Recordnacht

 

In de nacht van 15 op 16 februari vroor het op veel plaatsen 20°C of meer. De Bilt kwam tot -21,6 (februari-record), Winterswijk had -24,5°C. Maar in het noord-Groningse Uithuizermeeden werd het maar liefst -26,8°C. Een waarde die nog steeds ruimschoots goed is voor een landelijk februari-dieptepunt. Maar niet alleen op de genoemde stations werd het extreem koud. In het doorgaanse maritieme Hoorn werd -24°C gemeten. Door het dichtgevroren IJsselmeer was het nu een ‘binnenlands’ station geworden. Ook overdag was het op die 16e februari abnormaal koud. In Eelde bleef het de gehele dag streng vriezen (-11,2°C). En dat met een al steeds sterker wordende zon. In het zuiden is het minder koud, Rotterdam had een minimumetemperatuur van -12°C en in Ukkel (België) werd het -16,7°C. De Bilt noteert op 16 februari een etmaalgemiddelde van -14,5°C, in 1942 was het -14,2°C. En ook in de dagen daarna ging de strenge vorst gewoon door. Op het KNMI vriest het dertien nachten achtereen streng (lager dan -10°C). Op de 21e werd in het Zeeuwse Oost-Souburg (vlakbij Vlissingen) -19,6°C gemeten. En dat vlakbij de Westerschelde. Op de 23e vroor het in Gemert 19°C en in Beek kwam van de 21e t/m 26e het kwik op 4 nachten tussen de -17°C en -18°C. Wat een uithoudingsvermogen van die zeer strenge kou.

 

Als het hogedrukgebied zich tijdelijk terugtrekt, dringen kleine depressies tot onze streken door: op de 18e en 19e brengen ze sneeuw op de Wadden eilanden ligt een halve meter.

Maar vanaf de 26e ging de vorst duidelijk afnemen. De gordel van hoge druk die lange tijd over Scandinavië had gelegen, schoof over ons land naar het zuiden. De wind draaide naar het westen en op de 27e viel de dooi in. Na 4 weken bar winterweer was de kou ten einde.

De statistici profiteren van het gegeven dat de koude periode samenvalt met de kalendermaand, maar de zachte schrikkeldag is een tegenvaller. Niettemin is februari de koudste Sprokkelmaand sedert ten minste 1684. In de Bilt is februair 1956 negen graden te koud met gemiddeld -6,7°C. In Ukkel noteert men -6,1°C. In maart en april is het nog vaak vorstig. De koele zomer van 1956 bereikt een dieptepunt in de uitzonderlijke koele en natte augustus.

Deel 2 beëindig ik met een aantal artikelen uit de kracht ‘Het Rotterdamsch Nieuwsblad’ van vrijdag 24 februari 1956.

Krant uit 1956 op 24 februari.

auto's op het IJsselmeer.

Scheepvaart onmogelijk.

Weerbericht uit de krant.